In 2015 schreef ik voor het Tijdschrift voor Curatoren over de ‘stille bewindvoering: van praktijk naar wetgeving’. De pre-pack – in de volksmond ook wel het ‘flitsfaillissement’ genoemd – was toen volop in ontwikkeling. Ruim tien jaar later is het onderwerp opnieuw actueel. Want dankzij nieuwe Europese regels lijkt de pre-pack nu alsnog een wettelijke basis in Nederland te krijgen.
Van veelbelovend instrument naar stilstand
De pre-pack wordt in Nederland sinds 2012 toegepast, maar heeft nooit een wettelijke basis gekregen. Bij een pre-pack wijst de rechtbank vóór een mogelijk faillissement al een beoogd curator en een beoogd rechter-commissaris aan. Zo kan een eventueel faillissement in stilte worden voorbereid en kan worden onderzocht of een doorstart mogelijk is.
Met de komst van de praktijkregels voor beoogd curatoren in 2014 en het wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen I (WCO I) leek de pre-pack een vaste plek te krijgen binnen het Nederlandse insolventierecht. Maar in 2017 kwam daar verandering in. In de zaak Estro oordeelde het Europese Hof dat de regels voor werknemersbescherming ook golden bij deze pre-pack. Bij een doorstart moest het personeel dus in beginsel mee over naar de nieuwe onderneming. De uitzondering die normaal gesproken bij een faillissement geldt, was hier niet van toepassing.
Daarmee leek de pre-pack zijn belangrijkste functie grotendeels te verliezen.
Heiploeg zet de deur weer open
In 2022 volgde echter een belangrijke uitspraak in de zaak Heiploeg. Het Europese Hof oordeelde dat een pre-pack onder voorwaarden wél onder de uitzondering voor faillissementen kan vallen. Daarvoor moet de procedure wettelijk zijn geregeld en moet er voldoende toezicht zijn door een onafhankelijke rechter.
Dat leek goed nieuws voor de WCO I, die inmiddels bij de Eerste Kamer lag. Met een relatief beperkte aanpassing zou Nederland de pre-pack alsnog van een wettelijke basis kunnen voorzien.
Toch gebeurde dat niet. De politiek koppelde de behandeling van de WCO I aan een ander wetsvoorstel: de Wet overgang van onderneming in faillissement (Wovof). Op dat voorstel kwam de nodige kritiek en het is tot op heden niet bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee kwam ook de WCO I stil te liggen.
Europa zorgt voor nieuw momentum
En toen kwam de Europese Unie. Omdat een overkoepelend Europees insolventierecht ontbreekt, heeft de Europese Commissie een richtlijn geïntroduceerd om bepaalde onderdelen van het insolventierecht binnen de EU verder te harmoniseren. Onderdeel daarvan is een wettelijke regeling voor de pre-pack.
In een artikel in het Tijdschrift voor Insolventierecht van augustus 2026 concluderen mr. M.J. De Boeck en prof. mr. F.M.J. Verstijlen dat deze richtlijn de WCO I nieuw momentum geeft. Volgens hen zijn slechts beperkte aanpassingen nodig om het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met de Europese regels.
Zo moet het onder meer mogelijk worden om essentiële overeenkomsten mee over te laten gaan bij een doorstart uit faillissement. Op andere onderdelen krijgen lidstaten ruimte om zelf keuzes te maken, bijvoorbeeld rond een afkoelingsperiode en de eventuele verplichte vrijgave van zekerheden.
De benodigde aanpassingen aan de huidige WCO I lijken daarmee overzichtelijk. Nederland heeft daar niet onbeperkt de tijd voor. Uiterlijk op 22 januari 2029 moeten de nieuwe Europese minimumregels in de nationale faillissementswetgeving zijn verwerkt.
De conclusie lijkt dus duidelijk: de pre-pack komt terug. Maar is hij eigenlijk wel weggeweest? Wat mij betreft niet.
Ook nu kan stille bewindvoering waardevol zijn
In 2020 was ik nog betrokken bij de stille bewindvoering van een zorginstelling. Dankzij de voorbereiding en de omstandigheden op dat moment kon de onderneming uiteindelijk worden gered zonder dat een faillissement nodig was.
Ook onder het huidige recht kan stille bewindvoering naar mijn mening nog steeds worden ingezet. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat bij een doorstart uit faillissement het personeel in beginsel wordt overgenomen wanneer daaraan een stille bewindvoering voorafging.
Toch zijn er situaties waarin een pre-pack juist nu van grote waarde kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan ondernemingen waarbij grote maatschappelijke belangen spelen, zoals de continuïteit van zorgverlening. Ook bij ondernemingen met geen of slechts een beperkt aantal werknemers kan het zinvol zijn om de rechtbank vóór een faillissement te vragen een beoogd curator en beoogd rechter-commissaris aan te stellen.
De praktijk heeft laten zien dat een goede voorbereiding het risico op problemen bij een abrupt faillissement kan verkleinen. Bovendien kan daarmee maatschappelijke onrust worden voorkomen. In sommige situaties wegen de gevolgen van de werknemersbescherming niet op tegen de voordelen van een goed voorbereide stille bewindvoering.
De Europese richtlijn kan er nu voor zorgen dat de pre-pack eindelijk de wettelijke basis krijgt die al jaren ontbreekt. Daarmee keert een bekend instrument straks wellicht officieel terug. Voor zover het ooit echt is weggeweest.

Updates ontvangen?
Wilt u een e-mail ontvangen zodra er een nieuw blogbericht geplaatst wordt? Vul hieronder naam en e-mail adres in.
Door het verzenden van dit formulier verklaart u bekend te zijn met de inhoud van onze privacyverklaring.