Verrekening is in het dagelijkse handelsverkeer een krachtig instrument. Bedrijven gebruiken het om openstaande posten tegen elkaar weg te strepen, en ook in juridische procedures speelt het een belangrijke rol. Maar hoe zit het als jouw vordering inmiddels is verjaard? Mag je die dan nog verrekenen met een schuld die je zelf moet betalen?
Over die vraag boog de Hoge Raad zich op 23 januari 2026 in twee zaken tussen warmteleverancier Ennatuurlijk en belangenorganisaties van afnemers van stadsverwarming. De uitspraken geven belangrijke duidelijkheid over de grenzen van verrekening na verjaring. (ECLI:NL:HR:2026:93 en ECLI:NL:HR:2026:94)
Wat speelde er?
De zaken draaiden om afnemers van Ennatuurlijk die jarenlang een periodieke ‘aansluitbijdrage’ hadden betaald. Volgens hen was die bijdrage onverschuldigd, omdat uit het toepasselijke Tariefadvies 2013 zou volgen dat een aansluittarief slechts één keer mag worden berekend bij aansluiting op het warmtenet, en niet jaarlijks.
De belangenorganisaties die namens de afnemers procedeerden, wilden deze vorderingen verrekenen met bedragen die de afnemers nog aan Ennatuurlijk moesten betalen. Ennatuurlijk verzette zich daartegen en beriep zich op verjaring van de vorderingen van de afnemers.
Het juridisch kader
Op grond van artikel 6:127 BW mogen partijen die over en weer een schuld aan elkaar hebben, die schulden met elkaar verrekenen. Dat kan alleen als beide vorderingen opeisbaar zijn en betrekking hebben op dezelfde soort prestatie, meestal een geldsom. Verrekening werkt bovendien niet automatisch: degene die wil verrekenen, moet dit verklaren aan zijn wederpartij.
Artikel 6:131 BW bepaalt vervolgens dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vordering. Op het eerste gezicht lijkt dat te betekenen dat een verjaarde vordering altijd nog kan worden verrekend. In de literatuur wordt echter al langer betoogd dat dit artikel slechts bescherming biedt aan een reeds bestaande verrekeningsbevoegdheid.
Het oordeel van de Hoge Raad
Het hof had geoordeeld dat de afnemers hun verjaarde vorderingen toch mochten verrekenen met schulden aan Ennatuurlijk die later waren ontstaan. Volgens het hof stond artikel 6:131 BW daaraan niet in de weg.
De Hoge Raad denkt daar anders over. Hij oordeelt dat verrekening niet is toegestaan wanneer de vordering al is verjaard vóórdat de schuld waarmee wordt verrekend is ontstaan. De wet geeft geen nieuw recht om een verjaarde vordering alsnog in te zetten tegen een later ontstane schuld.
Met andere woorden: alleen als de bevoegdheid tot verrekening al bestond vóór het intreden van de verjaring, blijft die bevoegdheid bestaan. In deze zaken ontstonden de schulden aan Ennatuurlijk pas nadat de vorderingen al waren verjaard. Daardoor is ook nooit een geldige verrekeningsbevoegdheid ontstaan en mocht niet worden verrekend.
Bestond de schuld wél al vóór de verjaring, dan ligt het anders. In dat geval blijft de bevoegdheid tot verrekening bestaan, ook nadat de vordering is verjaard.
Conclusie
Deze uitspraken maken duidelijk dat een verjaarde vordering niet kan worden verrekend met een schuld die pas ná de verjaring is ontstaan. Wie wil kunnen verrekenen, moet dus scherp blijven op verjaringstermijnen en deze tijdig stuiten, bijvoorbeeld door een stuitingsbrief te sturen. Alleen dan blijft de mogelijkheid behouden om ook toekomstige schulden te verrekenen.

Updates ontvangen?
Wilt u een e-mail ontvangen zodra er een nieuw blogbericht geplaatst wordt? Vul hieronder naam en e-mail adres in.
Door het verzenden van dit formulier verklaart u bekend te zijn met de inhoud van onze privacyverklaring.