Vorige week stonden de tentamens weer voor de deur. Ditmaal werden mijn opleidingsgenoten en ik getoetst op onze kennis van het bewijsrecht en onze kunde om jaarrekeningen te lezen en te doorgronden. Vooral dat laatste tentamen bleek voor veel opleidingsgenoten lastig. Juristen hebben over het algemeen niet zoveel met cijfers, iets wat al sinds de Romeinse tijd een dingetje is getuige het adagium “Iudex non calculat”. Inmiddels wacht ik wederom mijn eigen cijfers met spanning af, gelukkig is de nakijktermijn slechts 10 weken, dus ergens in de zomer krijg ik de uitslag wel.

Hoewel het zeker interessant is om wat kennis over het bewijsrecht en het lezen van jaarrekeningen op te doen, zorgt het er wel voor dat je eigen praktijk ook even stil staat, met als gevolg dat je bij terugkomst op kantoor de eerste week weer een inhaalslag moet maken om alles bij te benen. Het staat in schril contrast met de post-tentamenperiode die ik op de universiteit had. Dat was - tenminste zo herinner ik het me - vaak een heerlijke tijd: uitslapen om vervolgens een lange Groningse nacht in te duiken. Nu ik eenmaal ben ingehaald door de realiteit van alledag, besef ik me dat ik op dit moment meer te doen heb dan te mijmeren over het verleden. Er ligt immers nog een boel werk op mijn bureau dat deze week af moet en binnenkort staan er alweer nieuwe tentamens voor de deur.